Een voorproefje! Bestellen? Stort 22 euro op mijn rekening en vermeld je adres! NL07INGB0001580509. Genieten volgt vanzelf!

Hoofdstuk 12
Wie leest, weet meer

Om kwart over zes kreeg Jeroen een bizar telefoontje. Meneer Wolff.
Zijn stem was hees tegen het rauwe aan: “Met Wolff. Ik ben gevallen. Effe echt kort hulp nodig. Kan dat even?”
Jeroen aarzelde. Therapeut belt cliënt? Had de man geen familie? Was er iets geheimzinnigs aan de hand? Waarom geen 112? Iets voelde enorm fout. Maar het was vlakbij. Even dan. En om half acht Annemarie!
‘De Gristenplicht,’ dacht hij, een favoriete uitdrukking van zijn vader, ook nooit te bedonderd om spottend zijn naastenliefde te demonstreren.
“Ik ben er zo,” beloofde hij.
Wolff’s voordeur stond op een kier. Kerel kon dus nog lopen. Of iemand had die deur open laten staan? Wolff zat in een rare ingedeukte houding in een leunstoel in zijn woonkamer. Er zat ook bloed aan zijn rechterhand, gekneusde knokkels. Jeroen zag meteen de ravage in de werkkamer.
“Meneer Wolff! Wat is u in godsnaam overkomen?”
“Dat zie je. Gevochten. Met een cliënt. Foute boel. Mag niet openbaar worden. Mijn vrienden gaan zich gek lachen als ik hulp vraag. Maar jij woont hier vlakbij. Ik vertrouw jou. Als die cliënt naar mijn beroepsvereniging stapt, is mijn carrière afgelopen.”
“Maar wat wilt u nu van mij?”
“Ik heb zeker drie of vier gekneusde ribben. Ik kan even niks. Wil je deze rotzooi voor me opruimen? En dan een urgente brief van mij naar die cliënt brengen. Ik kan niet mailen want mijn internet ligt eruit. Ik moet echt snel iets oplossen anders word ik gek. Ik ga je al je tijd fatsoenlijk vergoeden.”
Jeroen snapte het. Vooruit maar.
In een doelmatig tempo ruimde hij op. De tafel weer op zijn plaats de stoelen ook. Een van de stoelen was behoorlijk beschadigd maar de antieke kast was definitief kapot. Die kon zo weg.
“Zal ik de boeken maar even in de hoek opstapelen?” vroeg hij. Zijn humeur was opperbest. Straks alles uitpraten met Annemarie en eten. En daarna… Als het goed zou gaan, zou het ook meteen helemaal goed kunnen gaan.
Toen hij de restanten van de boekenkast demonteerde, bleek de bovenste sluitplank dubbel. Een bergplaats? Jeroen brak het paneel voorzichtig helemaal los. Meteen viel er een topzwaar plat hardkartonnen doosje precies op zijn kant naar beneden. Licht krakend scheurde het open. Jeroens mond viel ook open. Er vielen rolletjes uit. Rolletjes munten? Gouden tientjes herkende hij ineens. Zijn Italiaanse grootvader had er eentje in zijn oude portemonnee. Gelukbrengend. Geërfd door pappa. ‘Ook in de beurs voor als ik ooit in nood raak,’ legde zijn vader eens uit. Maar hier lag iets heel anders!
Er waren rolletjes van twintig stuks en zeker twintig, vijfentwintig rolletjes. Wolff had nog niks opgemerkt in de andere kamer. Zo nu en dan kreunde de man diep. Die had flink pijn. Jeroen kon het niet nalaten om het allemaal te tellen. Vijfhonderd stuks of zo, toch makkelijk driehonderd piek per stuk. Honderdvijftigduizend piek. Hij durfde zijn eigen gedachten en gevoelens niet langer te observeren. Hij liep op tilt als een geestgestuurde marionet de woonkamer in.
“Die boekenkast kan zo naar het groot vuil, meneer Wolff. Zal ik de stukken aan de straatkant zetten? Dan bel ik morgen wel even grofvuil voor u. Want overmorgen is het donderdag. Dat is hun route. Was u gehecht aan die kast?”
Wolff keek op van de brief die hij aan het schrijven was. Hij gromde weer van de pijn. “Nee hoor. Oud kreng, van mijn opa. Erfenis uit de oorlog. Van de Joodse buren. Zo ging dat toen. Dit was zijn huis.”
Jeroen voelde hoe hij Wolff nog minder mocht. Hij ging aan het werk. Opruimen, in stukken hakken, zagen. Fijn dat Wolff goed gereedschap had. En een dikke, stevige boodschappentas.
Jeroen ruimde heel goed op. Heel goed. Heel helende duizendjes. Wat een heling.
De tijd vloog. Toen was het kwart over acht. Stom, hij had zijn telefoon thuis laten liggen. Een grote misser. Maar toen hij de boodschappentas naar buiten droeg, was Annemarie ineens heel, heel veel minder belangrijk geworden. Wolff gaf hem tweehonderd euro en dat was terecht verdiend, vond de therapeut zelf. De voorwaarde was wel het onmiddellijk bezorgen van een brief. Shit! De Vruchtenbuurt? Maar dat was het adres van Leon! Tenminste, diens buurman. Die vent had Wolff verrot geslagen?! Hij pakte het geld en de brief voor Alex Jakov en fietste opgewekt naar het opgegeven adres.
Er stond een heerlijk lentewindje, het was een prachtige dag en nog lekker lang licht. De planning was wel naar God, maar nu had Jeroen ook iets om Annemarie tegenwicht te bieden.
‘Zij mij beliegen, ik haar laten zitten met de prak, een soort compensatie.’
Iets in hem genereerde de woorden macht en onmacht, maar hij wilde er niet verder over nadenken.

Er brandde al veel licht bij Leon. Het was te weird om maar direct bij de benedenbuurman aan te bellen, dus hij liep eerst naar boven. Leon leek niet eens verbijsterd: “Ik had je al eerder verwacht. Je had het druk misschien?”
Jeroen stond plotsklaps te schutteren, mond vol tanden. O ja. Vorige week stond hij hier ook. Maar ja, toen zat de dooie vader van Annemarie er nog tussen.
“Ik was even in de war,” kreeg hij er net nog uit. Leon bood thee of koffie aan, maar toen moest Wolff’s boodschap voor gaan.
“Het is heel gek maar ik moet uw benedenbuurman een dringende brief brengen. Hij heeft zichzelf iets op de hals gehaald.”
Leon stond, zonder te weten waar het om ging, ineens strak. Brief bezorgen? Hij wist al hoe de beschaving slechts als een papierdun vliesmasker over die innerlijke razernij van Alex heen vloeide. Waar ging deze jongen zijn neus in steken!? AIVD-affaires? Persoonlijk af te geven brief. Het was heel ouderwets misschien gedacht maar je had vroeger gifbrieven en bombrieven.
“Ach, ik loop gewoon even met je mee,” zei hij met een wonderlijk soort beschermend pappiegevoel.

Jakov was iets opgeknapt maar Jeroen herkende direct de vechtpartij. In de borst getrapt, zere handen en een gezwollen kaak. Waarschijnlijk een vliegende kick. Jakov was er wel erger aan toe dan Wolff.
“Dag meneer Jakov,” zei hij neutraal. “Ik heb een excuusbrief van de heer Wolff. Die moest ik aan u persoonlijk afgeven.”
De uitdrukking op Jakov’s gezicht kon zo in Goede Tijden, Slechte Tijden. Het geluid uit dat gezicht klonk als vloeken. Leon greep meteen in.
“Ik weet hiervan, Jeroen,” zei hij snel. “Laat mij die brief maar voorlezen. Okay Alex?”
De buurman knikte en Jeroen gaf de brief aan Leon. Die woog de brief in zijn hand. Dun, een enkel vel. Open dan maar.
“Geachte heer Jakov, het voorval van vanmiddag heeft het slechtste in ons naar boven gebracht. Ik schaam mij uit de grond van mijn hart. Ik heb een onverkwikkelijk onprofessionele reactie gehad op uw uitdaging en hoop dat ik u niet ernstig bezeerd heb. Voor uw genoegdoening: ik heb vier gekneusde ribben en kan mij nauwelijks meer bewegen. Ik wil u hierbij een schadevergoeding aanbieden als wij daarmee de zaak in der minne kunnen schikken. Ik hoop dat duizend euro genoeg is maar ik heb er alles voor over om deze zaak verder te kunnen laten rusten. Hoogachtend, Gideon Wolff.”
“‘Huh zah gohvehdomme nie waah wezeh,’ snorkte Jakov.
“Kom op, Alex,” gromde Leon’s lage stem. “Dit is de manier om het te laten rusten. Waar er twee kijven, hebben er twee schuld. Hij zegt het goed. Jullie hebben allebei het slechtste in elkaar naar boven gebracht. Pak de poen en nooit meer doen.”
Alex zat wezenloos te knikken. Het gevaar van de kant van Wolff was geneutraliseerd en Wolff wist kennelijk niks van de Dienst. Hij wees op Jeroen: “Moh je iets tehug bhengeh, jonghu?”
Jeroen schudde nee en ineens had hij haast. Het was vast al half negen, later zelfs misschien.
“Ik moet naar mijn vriendin helaas. Ik wens u allebei een heel prettige avond.”
Hup. Naar de fiets.
Maar bij Annemarie bleef het stil. nergens licht. Hij vloekte een beetje. Dat kon je verwachten. Maar de prettig zware tas met gouden tientjes domineerde zijn hele geest. Dan maar naar huis. Die handel wegen en dan de goudprijs checken op ChatGPT. Later zou hij toch best wel even rechtstreeks kunnen bellen met Annemarie.