Loading...
You are here:  Home  >  Korte verhalen  >  Current Article

Dikke Hans leert vliegen

By   /   september 30, 2021  /   Reacties uitgeschakeld voor Dikke Hans leert vliegen


Bestaan er buitenaardsen? Voor sommigen onder ons is dat zeker. Eigen ervaringen en zo.

Dikke Hans ging altijd ’s avonds met zijn poes Solex een eindje wan­de­len. Hoe zo? Moest hij zijn poes net zo uitlaten als een hond? Helemaal niet, die poes hield gewoon van avontuur en met Hans erbij durfde hij gewoon verder weg van huis.

Op die donderdag was het be­wolkt en Hans was van plan om het kort te maken. Bij de hoek van de Aardbeistraat stond een grote kartonnen doos op straat. Vrijdag­ochtend zou de vuilnisman die vast komen weg halen. Waarom moest die dikke Hans daar nou zo nieuwsgierig in kijken? Hij had toch gewoon door kunnen lopen naar huis? Maar nee, zijn poes snuffelde aan de doos, krabde er een beetje aan en zo kwam het. Hans trok één van de dikke kartonnen flappen open en zag in de doos een grote vogelkooi. Wie zou nou zo iets moois willen weg gooien? Hans trok zijn wenk­brauwen hoog op en boog zich voorover. Plotseling hoorde hij een wonderlijke, beetje zijige stem: ‘Lieve dikke jongen, laat je me er even uit?’

Hij sprong op van de schrik en Solex begon vreemd te miau­wen. Dikke Hans was gelukkig niet zo bang en daardoor keek hij nog eens goed in de kooi. Op de houten stok in het midden van de kooi zat iets dat op een vogel leek. Maar het was geen vogel. Het leek ook een beetje op een mens, maar het was geen mens, hooguit een beetje doorzichtig iemand. Tegelijk koel van kleur, maar ook nogal een warmachtig iets. ‘Hallo?’ zei dikke Hans vragend. ‘Hoe bedoelt u?’
‘Precies wat ik zeg,’ zei de doorzichtige, koelwarme persoon in de kooi. ‘Even dat slotje moeren, daar links, Je hebt sterke handen dus ik weet dat je het kan.’
Hans aarzelde. Dus die bevederde wazigmans zat opgesloten? ‘Eh, eh,’ zei hij voorzichtig.
‘Ja, ja, je denkt dat het wel niet voor niks zal zijn, dat ik opgesloten zit,’ zei de vreemde vogel. ‘Waar of niet?’
Hans haalde zijn schouders op: ‘Is dat zo gek?’
‘Helemaal niet,’ was het antwoord. ‘Het is een teken van slimheid. Dat je goed nadenkt en zo. Dat je eigenlijk bijzonder bent, anders dan andere mensen.’
‘Wel ja,’ zei Hans. ‘Houd maar op, want met vleierij kom je niet uit de kooi.’
‘Ai, ai! Klont!’ zuchtte de wapperflap in de kooi.
‘Wat betekent dat nu weer?’ vroeg Hans.
‘Dat zeggen ze waar ik vandaan komt, als iets tegen zit.’
‘Kijk aan,’ grinnikte Hans. ‘Zoiets als wij ook zeggen, maar dan heeft het met poep te maken.’
‘Exact! Honderd punten! Jij wint vandaag,’ lachte het vogel­achtige wezen terug.
‘En als ik vragen mag, wáár kom jij vandaan?’ wilde Hans weten.
‘Uit de hemel!’

Hans was eventjes stil. Zijn poes was er rustig bij gaan zitten en likte zijn roze kontje schoon. Toen zei hij twijfelend: ‘Ja, ja.’
Er werd in de kooi even gegiecheld.
‘Inderdaad. Nu weet je het.’
Hans dacht na.
‘Kan ik een wens doen als ik je er uit haal?’ vroeg hij toen, terwijl er een frons tussen zijn wenkbrauwen was gekomen. Hij zag er meteen ietsje hebberig uit.
‘Wat mij betreft wel,’ antwoordde de kooibewoner. “Je karma zal er niet onder lijden.”
‘Ik doe het!’ besloot Hans.

Met zijn stevige handen rammelde hij woest aan het kooislot. De kooi bonkte op en neer in de doos. Bijna viel de hele boel om.
‘Ho ho. Wacht even, zo stoot ik mijn zachte bovenkanten,’ mopperde de vogelaar. Hij stampte even hard met zijn vogel­achtige voeten op de bodem van de kooi en die lag plotseling los in de doos.
‘Til de kooi er maar uit, jongeman,’ zei hij. Solex had een sprongetje achteruit gemaakt. Het doorkijkmeneertje ging rechtop staan.
‘Kun je die kooi even van me af tillen, Hans?’ vroeg hij. Hans keek stomverbaasd, want dat was hij ook.
‘Tjee, wat ben je lang,’ stelde hij verbijsterd vast. ‘En hoe weet je mijn naam?’
‘Ach, dat zijn kleinigheden,’ zei het vogeldinges. ‘Til je die kooi er nou af? Hij is behoorlijk zwaar.’
Hans deed wat hem gevraagd werd. Eigenlijk was de kooi wonderlijk licht.
‘Dat had je zelf ook wel gekund,’ zei hij.
‘Inderdaad,’ zei vogelmans, ‘maar dan had je helemaal niks voor je wens hoeven doen.’
‘Dus ik mag toch nog mijn wens doen?’ vroeg Hans, terwijl de tranen hem in de ogen sprongen.
‘Jawel,’ antwoordde de doorkijker. ‘Maar laten we eerst even eerlijk zijn: Je vertrouwde het zaakje niet meteen, hè?’
‘Nee,’ zei Hans. ‘Ik ben niet zo’n gelover.’
‘Dat zie ik,’ zei de vogelaar. ‘Daarom kwam ik ook langs.’
‘Ho ho!’
Hans keek ineens verontwaardigd. ‘Ho ho! Dus niemand had je daar in gestopt?!’
De doorzichtige gestalte schudde zijn hoofd: ‘Nee. Maakt het wat uit? Nee, toch? En nu: wat is je wens?’

Hans wiebelde op zijn voeten heen en weer van de zenuw­achtigheid. Solex gaf hem aanmoedigende kopjes langs zijn linker onderbeen. Alsof hij zeggen wou: Toe maar. Na een halve minuut opende Hans zijn mond en de woorden rolden er uit met een snelheid alsof ze er honderd jaar in opgesloten hadden gezeten: ‘Ik wil kunnen vliegen.’
De engel wuifde met doorzichtige handen. ‘Goed. Het is eenvoudiger dan je nu nog denkt. Hupsakee, begin hier maar hard te lopen. Ondertussen wapper je met je armen en je springt net zo lang omhoog tot je vliegt. En o ja, je moet er wel in geloven.’

Hans had er best nog uren over door willen praten en vragen stellen en bang zijn, maar dat deed hij allemaal niet. Hij begon te rennen en de engel rende met hem mee. Ook Solex racete op zijn sterke pootjes vlak naast hem.
‘Het LUKT!’ schreeuwde de geestvogel en ja hoor, daar ging Hans. De engel bleek ineens grote vleugels te hebben, want hij vloog gewoon mee.
‘Zo. Je wens is vervuld,’ riep hij boven de suizende wind uit. ‘Maar laten we nu nog eens eerlijk zijn: je ging me alleen helpen omdat je een beloning verwachtte. Ja of nee?’
‘Nee!’ schreeuwde Hans. ‘Ik dacht al de hele tijd dat je een engel was, maar ik wou het zeker weten. Daarom vroeg ik dat, dat van die wens!’
‘Okay, vooruit,’ riep de engel terug. ‘Nog één ding: je moet alleen maar vliegen als niemand het ziet. Anders gaan ze het je lastig maken. Dan willen ze touwtjes aan je voeten binden met reclame­bood­schap­pen. Snap je?’
‘Ik snap het,’ riep Hans.
‘Nou, de groeten dan maar,’ lachte de engel. ‘Ik ben weg. Ik heb nog een hoop te doen vannacht. Akelig karma oplossen. en zo, je snapt het vast.’
En weg was hij.

Hans daalde naar beneden. Zijn poes zat hijgend naar hem uit te kijken. Hij nam Solex in zijn armen en knuffelde zijn poes heel innig. Ze likte vrolijk over zijn neus. Toen gingen ze weer op weg naar huis. En geen ogenblik voelde Hans zich meer dik. Hij was zo licht als een veertje geworden. Dat was het mooiste van die avond.

 

    Print       Email

You might also like...

Krokbief of te lang geleefd op pillen (Science Fiction verhaal)

Read More →