Een verhaal over samenwerken en wereldhandel
Alle gelijkenis met het beleid van Donald Trump is toevallig. Ook dat de tovenaar op Mark Rutte lijkt.
door Peter den Haring

Naast zijn vader op de bok van de postkoets had de jonge Bo een heerlijke tijd. Heel soms, in de schoolvakanties, mocht hij zijn vader, die een zeer ervaren voerman was, vergezellen op diens wekelijkse reis van de stad Brenk naar het 50 kilometer verder gelegen Amerhurst. Daar lag het zomerpaleis van de hertog en het was er altijd een spannende drukte. Bo vond zulke uitstapjes het meest avontuurlijke wat hij zich maar kon voorstellen.

Het leek een voorspoe­dige reis te worden, hoewel het fris was en de vier paarden de koets slechts met een behoorlijke inspanning de hoge bergpas op konden krijgen. Het was een bergachtig land en de meeste wegen waren smal, slingerend langs de zijkanten van de minst hoge bergen. Toen ze bijna boven op de laatste bergpas waren, begon zijn vader plotseling ruw te vloeken. In de verte was de weg versperd! Nauwelijks op tijd kon hij de paarden laten stoppen. Haast waren ze in volle vaart tegen een reusachtige boom opgevlogen, die van links naar rechts over de weg lag. Er omheen rijden kon niet door de grote rotsblokken die overal langs het pad lagen.
“WAT KRIJGEN WE NOU?!” gilden de passagiers, die hun ongeruste hoofden uit de postkoetsvenster staken. Ook Bo was flink van het bijna ongeluk geschrokken. Er zou echter nog veel meer schrik volgen.
Uit een stevig huisje van boomstammen en rotsblokken vlak naast de weg kwamen onver­wacht drie enorme kerels tevoorschijn, alle drie haast langer dan drie meter, reuzen dus. De oudste was een zompig vette man met veel puisten.
“Morregge, lui,” schreeuwde hij met een verve­lende stem. “Ik heet Golp. En dit zijn mijn twee broers, Graf en Geessie!”

Graf, de middelste broer, leek hele­maal niet op Golp. Graf was iets korter dan drie meter, maar hij was weer dun en mager. Puisten had hij niet, maar wratten des te meer. Op zijn handen, in zijn nek en naast en op zijn neus. Zo gemeen als Golp keek hij ook niet. Zij blik was meer die van iemand die ervan houdt om mensen in de maling te nemen. De jongste reus, Geessie, was lang, net zoals Golp, en dun, net zoals Graf, maar hij was meer een soort spook­reus, heel mager en zweverig. Hij was de kleinste van de broers, maar nog altijd een kolos. Zijn gezicht was redelijk vriendelijk, nou ja, alleen vergele­ken bij Golp en Graf dus. Nee, een leuk stel was het helemaal niet. Kennelijk hadden zij met z’n drieën ergens die loeizware boom omgehakt en die dwars over de weg gelegd. Golp liep handenwrij­vend en grijnzend naar de wegver­sperring toe. Zijn broers kwamen achter hem aan.
“Verhip,” zei Geessie. “Met die boom zo over de weg kan er niemand meer door.”
“Ja, hèhè, eindelijk begrijp je iets,” bromde Golp.
“Ik begrijp nog niets,” antwoordde Geessie.
“Wie heeft die enorme boom hier neergedonderd?” riep Bo’s vader kwaad. “Mijn klanten hebben haast. Er wordt op hun gewacht in de stad!”
“Wij hebben werkelijk geen idee,” zei Golp met een nare slijmklank in zijn stem. “Maar als je ons drie gouden munten geeft, dan willen wij die boom wel van de weg aftillen.”
“Zijn jullie gek geworden?” schreeuwde de voerman kwaad. Uit de raampjes van de koets staken de minstens even verontwaardigde hoofden van de vier passagiers naar buiten. Golp wuifde naar hen.
“Wij zijn niet gek, maar jullie wel. Als jullie tenminste niet snappen, hoe onmogelijk en onprettig jullie positie is,” zei hij geniepig glimlachend. “Ik ga weer een dutje doen, denk ik. En mijn broers gaan in ons huis een kopje koffie zetten, denk ik. En jullie zien maar wat je doet.”
“Maar die man heeft toch gelijk?” vroeg Geessie stomverbaasd aan Graf. “Wij HEBBEN die boom daar toch ook neergelegd?”
Graf gaf hem een harde por in z’n doorzichtige zij. “Houd je koest, dunne!” gromde hij venijnig. “Dit is juist ons prachtige idee om slapend rijk te worden.”
“Maar we slapen helemaal niet,” sputterde Geessie. Graf keek hem zo nijdig aan, dat Geessie van de weeromstuit z’n dunne mond maar hield.

Ondertussen waren alle passagiers uit de koets geklommen. Ze trokken aan de takken van de boom, ze duwden uit alle macht tegen de stam, maar niks. De boom was een boom van tweeduizend kilo en ze kregen hem niet van zijn plaats. Scheldend spande de voerman zijn paarden uit en bond ze vast aan de boom. Toen liet hij de zweep knallen. De dieren kwamen met een schok in beweging. Ze trappelden en snoven. Hun dikke spieren trilden, de boom trilde ook maar toen de drie reuzen op de dikke stam gingen zitten, bleef hij liggen waar hij lag. De mensen en de reuzen keken elkaar aan.
“Drie gouden munten,” grinnikte Golp, terwijl hij zijn grote, grove hand ophield. “Dit heet een tol. Jullie gaan tol betalen.”
“Houd je smerige grote gek!” schold de woedende voerman, maar Golp bleef gewoon lachen.
“Omdat je me uitscheldt, moet je er bovendien die grote kist appels bij doen, die ik daar boven op je koets zie staan,” antwoordde hij hebberig.
“Ik moet absoluut vanavond in Amerhurst zijn,” sprak een rijke koop­man met een dure jas van bont. “Daarom zal ik één gouden munt geven.”
“En onze oude vader ligt op sterven. Wij moeten er door!” zeiden twee juffrouwen met trillende monden. “Wij hebben samen drie zilveren munten.”
“Ik heb erge honger,” mopperde een dikke meneer met een rood hoofd. “Als ik niet op tijd wat te eten krijg, dan val ik flauw. Ik heb, geloof ik, ook nog wel ergens een paar zilveren munten.”

De voerman was zo kwaad, dat hij bijna niet meer praten kon. Toch probeerde hij het: “Als ik een kanon had, dan schoot ik die boom in stukken en jullie erbij!”
“Maar je HEBT geen kanon,” lachte de reus. “En trouwens, een kanon kost veel meer dan drie gouden munten. Je bent nog goedkoop uit met onze hulp, baasje.”
“Als ik een geweer had, dan schoot ik je dikke kop er af!” riep de voerman.
“Maar je HEBT geen geweer en bovendien, dan kreeg je nog deze boom niet van de weg,” beweerde Golp. Zuchtend pakte de voerman zijn beurs van onder zijn jek.
“Ik heb niet meer dan twintig koperen munten,” zei hij. “Ik ben een arme man en ik moet vrouw en kind te eten geven.”
“Als ik medelijden met jullie had, dan stond ik hier niet,” antwoordde Golp. “Je klanten moeten nog maar eens beter in hun beursjes kijken. Ondertussen doe ik nog een dutje.”
“Nee, nee, meneer de reus. Alstublieft niet!” riepen de vier passagiers. “We hebben haast en honger en we zullen doen wat u vraagt.”

Ze keerden allemaal hun portemonnees om en eindelijk hadden ze samen genoeg geld bij elkaar, toen de reuzen ook de kist met appels mee wilden tellen. Golp, Graf en Geessie tilden met hun reuzen­kracht de boom heel hoog op, zodat de voerman zijn koets er onder door kon sturen. Toen lieten de reuzen de boom met een donderende klap weer op de weg vallen. De voerman stopte direct de koets. Met een van woede vertrokken gezicht schreeuwde hij: “En als ik nou straks weer terug kom? Wat dan? Morgen moet ik weer terug naar Brenk. Moet ik dan soms weer betalen?”
“Wat ben jij slim, zeg!” riep Golp tevreden, terwijl hij in een van die lekkere appels beet. Van kwaadheid zei de voerman maar niets meer terug, maar tijdens de hele verdere weg naar Amerhurst hoorde je hem brommen. Zijn passagiers waren ook boos, maar zij waren tegelijk blij dat ze waren waar ze wezen wilden. Bo leefde met zijn vader mee. Toch vond hij het hele gebeuren vooral een prachtig avontuur. Reuzen! Die bestonden toch alleen in verhalen en liedjes!

De voerman ging een hapje eten in de herberg. Hij zat zo ongelukkig te kijken dat de herbergier hem met een vriendelijk gezicht vroeg wat er aan de hand was. De voerman vertelde verontwaardigd het hele verhaal.
“Daar moeten we wat aan doen!” riep de herbergier en hij haalde er meteen de burgemeester bij. Die keek bezorgd en zei: “Dat wordt een zaak voor onze rijkswachter. Die heeft tenminste een groot geweer.”
“Hij kan dan wel op de reuzen schieten, maar daarmee hebben we die boom nog niet van de weg,” antwoordde somber de voerman, die trou­wens Agebord heette.
“Goed, dan nemen we twee extra paarden mee. Dat moet lukken!” dacht de burgemeester en dus deden ze dat.
Bo zat net als zijn vader zorgelijk te kijken. ‘Die reuzen hebben vast wel aan dit soort dingen gedacht,’ was zijn idee. En inderdaad, toen ze de plek des onheils bereikt hadden, lag er naast de eerste boom een tweede. Een beuk van nòg eens tweedui­zend kilo. De reuzen hadden zich meteen in hun huis verstopt, toen ze het geweer van de rijkswachter ontdekten. Door de dichte deur konden de kwade bezoekers de reuzen horen lachen. De stem van Golp lachte het hardste.
“We dachten wel dat jullie zoiets zouden willen proberen, met paarden en geweren,” giechelde hij brutaal. “En dus hebben we jullie verrast! Slim van ons, niet? Twee bomen van tweeduizend kilo. Daar heb je wel acht paarden voor nodig!”
De burgemeester was zo nijdig geworden, dat zijn gezicht helemaal paarsrood kleurde.
“Reken er maar op dat ik terugkom met TIEN paarden en TIEN geweren!” schreeuwde hij razend tegen het lelijke huis van de reuzen.
“Moet je doen!” lachte Golp hem uit. “Dan gooien wij ondertussen honderd grote rotsblokken op de weg, zodat er helemaal nooit niemand meer door kan.”

De burgemeester, de rijkswachter en de voerman schreeuwden, tierden en scholden, de één met een nog rooiere kop dan de ander, maar ze snapten wel, dat ze op die manier niet uit de problemen konden komen. Toen ze weer wat gekalmeerd waren, vroeg de burgemeester wat de reuzen eigenlijk wilden.
“Slapend rijk worden,” deelde Golp opgewekt mee aan de andere kant van de deur.
“Drie gouden munten per koets. Of twaalf zilveren,” vulde Graf aan.
“Ik heb liever nog een kistje appels,” zei Geessie. “Want munten kun je niet eten.”
“Houd je kop, zwaaihals,” gromde Golp tegen Geessie. “Wij doen het praten hier. Daar ben jij te dom voor!”
Geessie werd kwaad op Golp, maar tegelijkertijd was hij wel reuze nieuwsgie­rig naar het antwoord van hun toekomstige klanten.

De voerman keek walgend naar het stevige huis van die hebberige reuzen. Maar wat kon hij doen? Het waren absoluut de sterkste kerels van het hele land en ze waren nog gemeen slim ook. Agebord slikte zijn razernij weg en zei met opgekropte stem: “Ik kan jullie één gouden munt betalen. Voor de heen‑ EN de terugreis. Anders krijg ik geen enkele passagier meer. En dan moet ik gaan bedelen. Heb medelijden met me. Ik moet voor een gezin zorgen.”
“Als ik medelijden kende, stond ik hier niet,” gromde de reus door de dichte deur. Hij was overtuigd van zijn overwinning en wat de mensen van hem dachten kon hem niets schelen.
“Wij reuzen hebben lang genoeg te lijden gehad van jullie mensen,” riep Graf met een schelle stem. “Iedereen, die niet precies normaal is, wordt door jullie uitgelachen. Of wij mogen jullie zware rotkarweitjes opknap­pen. Nou daar hebben wij genoeg van gekregen. Jullie mogen betalen of wachten tot je een ons weegt!”
En toen ging hij voor zichzelf en zijn broers een potje koffie zetten, want daar waren de reuzen dol op. De burgemeester schreeuwde dat hij een brief naar de hertog zou sturen, maar de reuzen begonnen direct te schateren.
“De hertog is toevallig op bezoek bij zijn familie in Brenk. Hoe wou je die brief daar naar toe krijgen?” vroeg Golp. “Kunnen brieven tegenwoordig vliegen?”

Tja, daar had die reus de burgemeester mee te pakken. Want de hertog was nu net even aan de andere kant van de afgesloten weg. Had Golp daar al rekening mee gehouden misschien? Wat kon die burge­meester schelden, zeg! Daarom hadden de mensen van het stadje Amerhurst hem misschien als burgemeester gekozen. Hij was een kampioen schel­der. “Schijterige, stinkende darmenvreters. Ik hoop dat jullie verrotten in jullie vuile ziektenhuis!” Enzovoorts. Wel tien minuten lang. En hij zei niet één keer hetzelfde scheldwoord. Maar de reuzen gaven geen krimp.
“Schelden doet geen zeer, slaan veel meer!” riep Geessie vol bravoure. Wel hielden ze heel verstandig goed de deur op slot, want het geweer van de rijkswachter was en bleef een goed geweer.
De rijkswachter  was de verstandigste van allemaal. “We gaan terug,” besloot hij. “Dan kunnen we er allemaal nog eens goed over nadenken. Ik krijg ook trek in koffie.”
Plotseling hoorden ze de stem van Geessie, die riep: “Voor één koperen munt kunnen jullie hier koffie kopen.”
“BEN JIJ NOU HELEMAAL EEN HAARTJE BETOETERD?” hoorden ze Golp schreeuwen. “Onze koffie is bijna op en jij wil het gaan verko­pen!? Ben je stapeldol geworden?”
“Ik mag toch ook wel eens een idee hebben om rijk te worden?” bromde Geessie teleurgesteld. De reuzen begonnen nu alle drie met elkaar ruzie te maken, want Graf vond het ook een goed idee, maar hij wou geen koffie maar soep en broodjes gaan verkopen. Ze schreeuwden door elkaar om gelijk te krijgen.

De voerman wenkte de andere twee mannen en stilletjes liepen ze terug naar de koets. Onderweg bedachten ze twintig plannen maar niets had blijvende waarde. Ineens zwaaide de rijkswachter met de loop van zijn geweer. “Luister!” zei hij met stemverheffing. De rijkswachter heette Dammo en hij kwam uit een heel grote familie. Zijn grootvader had tien broers gehad en die hadden allemaal tien of zelfs meer kinderen. Reken maar uit. Het voordeel is dat zulke mensen heel veel mensen kennen natuurlijk. Dat scheelt als je een probleem wilt bepraten.
“Hier moet tovenarij aan te pas komen,” antwoordde Dammo. “Met geweld of slinkse handel komen we niet verder. Ik heb een oudoom, die vrij goed toveren kan. Laten we hem om raad vragen.”

Agebord, Dammo en de burgemeester van Amenhurst (wiens naam Budrego was) legden de situatie aan de tovenaar uit. “Dus die drie reuzen willen slapend rijk worden,” zei Honkon Pokon (zo heette de tovenaar). “Dat wil iedereen wel. Maar vooruit, ik ga met jullie mee. Misschien valt er wat te lachen.”
Honkon Pokon was een dikke man met een dunne neus in een ietsje droevig gezicht. Hij was ook nog eens warm gekleed want hij hield niet van tocht. De tovenaar ging in zijn eentje op zijn paard naar het reuzenhuis toen het donker was geworden. Hij keek een tijdje rond en bond toen het dier vast aan een berk in de buurt. Hij had een plan. Een beetje met stroop smeren, had hij gezegd. Zachtjes sloop hij naar de voordeur. Daar kuchte hij drie keer. De pratende reuzen vielen ineens stil. Onraad! Hun deur was dik vergrendeld maar ze hadden natuurlijk last van een slecht geweten.
“Ik wil graag met de mooiste reus van deze streek praten,” riep Honkon door de gesloten deur.
“Rot op,” riep Golp. “Als ik mooi was, dan was ik wel toneelspeler geworden.”
“Wat zou zo’n grote lelijke reus er voor over hebben om toneelspeler te mogen worden?” vroeg Honkon zich hardop af. Golp werd nog chagrijniger van de gedachte. “Ik word hier slapend rijk en dan ga ik voortaan naar toneel kijken!” schreeuwde hij. Ineens hoorde Honkon de stem van Geessie: “Ik ben wel mooi. Ik heb de Witte Slierten Prijs gewonnen tien jaar geleden en er was iemand verliefd op mij. Ik wil weten wie er buiten praat.”
Honkon wist direct wat hem te doen stond: “Ik heb gehoord dat er een standbeeld wordt uitgebeiteld op het dorpsplein van Amerhurst. Het moet een beeld van een mooi, groot, voornaam iemand worden.”
“Van zo iemand als ik,” riep Geesie direct wild enthousiast.
“Houd je bek en rot op, vreemdeling,” gromde Golp. “Je werkt vast voor die gierige burgemeester! Ik herken je slijmpraatjes meteen.”
“Maar ik wil een standbeeld!” mopperde Geessie weer. Honkon greep zijn kans: “Laat me binnen en ik zal het uitleggen. Ik gun iedereen voordeel. Geen gezeik, iedereen rijk, dat is mijn motto.”
Je hoorde Golp meteen nadenken.
“Hee, dat is ook ons motto,” zei Graf.
“Wat is een motto?” vroeg Geessie.
“Heb je een geweer bij je?” wilde Golp weten. Hij hoorde Honkon hard lachen. Toen zei de tovenaar: “Nee. Maar stuur rustig Geessie naar buiten om het te controleren.”
“Wat betekent kontrollen?” vroeg Geessie ongerust. “Ik word altijd gebruikt voor jullie vervelende klusjes. Ik doe het niet, wat die man buiten ook allemaal met zijn kont en trollen wil. Laat Graf het maar doen.”
“We hadden een raampje in die deur moeten maken,” zei Graf. “Maar dat is zeuren achteraf.”
”En wie zegt dat die kerel dan niet door het raampje zou schieten?” grauwde Golp. “Er is al vaak op me geschoten. Als ik niet wantrouwig was geweest, dan zat ik hier helemaal niet.”
“En als ik geweten had, wie er verliefd op me was tien jaar geleden, dan zat ik hier ook niet,” zeurde Geessie. Buiten stond Honkon te grinniken.
“Ik ben in mijn eentje. Mijn paard staat een eindje verder, want ik weet niet of jullie genoeg te eten hebben of misschien houden jullie gewoon van paard. Hoe kun je nu bang zijn voor iemand die in zijn eentje is?”
Golp schraapte een paar keer zijn keel: “Ik was al tien keer dood geweest als ik elke praatjesmaker in mijn huis had binnen gelaten. Wat kom je vertellen dat niet door de deur kan?”
“U bent erg wantrouwig,” zuchtte Honkon. “Maar u heeft nare ervaringen, zo te horen. En dat terwijl u toch oersterk bent.”
“Wie sterk is, die moet extra slim zijn,” riep Graf lachterig. ”Haha, wij lachen in ons vuistje. Wij lachen het laatst.”
“Ik ken veertien fantastische moppen,” riep Honkon. “Die kan ik in een uurtje vertellen en dan piesen jullie jezelf onder.”
“Dat wil ik horen,” zei Geessie meteen.” Zoveel lachen wij niet.”
Golp nam een besluit: “Ik doe de deur op een kier. Jij steekt je hand er door. Dan trek ik je naar binnen. Als ik iets zie van ijzer, dan douw ik de deur weer dicht. Terwijl je arm er tussen zit. Die is er dan zo af. Snap je dat, kerel?”
“Ik ga helemaal akkoord,” riep Honkon. “Ik heb niks te verliezen en veel te winnen.”

Golp nam geen enkel risico. Hij deed precies wat hij gezegd had en het laatste stuk van Honkon werd zo hard naar binnen getrokken dat de tovenaar overal blauwe blekken kreeg. Daar heb ik thuis en goed zalfje voor, dacht hij maar hij klaagde niet. Binnen was binnen en toen kon het beginnen. “Ik heb zin om je eens lekker te omhelzen,” bromde Golp. “Dan kan ik zo’n beetje je omvang voelen. Weet ik vast een beetje hoe diep die kuil moet zijn die ik hier achter mijn huis voor je ga graven.”
“U bent allervriendelijkst,” antwoordde Honkon. “Zijn deze twee andere heren uw broers?”
“Zo zou je het kunnen zeggen,” zei Golp. “Maar iemand anders zou het ook anders kunnen zeggen.”
Geessie woof, druk aandacht vragend, met zijn handen. “Zo’n broer wil niemand. Hij deelt nooit wat hij vindt. Hij houdt alles voor zichzelf. En hij slaat ook vaak.”
“Ach,” zei Honkon op meelevende toon. “Maar toch luistert u wel naar hem.”
Ineens stond Graf op: “Zo komen we nergens. U zit ons uit te horen. U heeft een plan. Als u maar weet dat wij ook een plan hebben!”
“Precies! Wij willen slapend rijk worden,” riep Geesie enthousiast. “En ik ga hier koffie en soep verkopen daarna. Voor de gezelligheid. Je moet toch wat doen als je eenmaal rijk bent?”
“Laten we over het standbeeld praten,” stelde Honkon voor. “Jullie snappen misschien dat de burgemeester de hertog wil eren. Dat standbeeld kost nogal wat. Het moet van brons worden en dat is duur. Maar de burgemeester heeft er lang voor gespaard, want hij wil trouwen met de dochter van de hertog.”
“Ah! Hij gaat slijmen bij de hertog,” begreep Graf. “Slijmerds komen een end. Hij kan ook mooi schelden.”
“Maar niemand komt ergens als er geen weg is,” zei Honkon.
“Precies! Dat is ons hele idee!” grinnikte Golp.

Honkon ging een beetje zorgelijk kijken. Toen legde hij de andere kant van de medaille uit. “Als het over een paar dagen lekker weer wordt, dan wil de hertog terug van Brenk naar zijn paleis in Amerhurst. Dan hoort hij van deze boomversperring. Hij stuurt een postduif naar zijn vrouw met verzoek om hier veertig soldaten heen te sturen voor de sfeer. Die hebben geweren en daar zijn ze goed mee. En met zijn allen krijgen ze echt jullie bomen wel weg. Ze nemen vanzelf zagen mee uit de stad. Of ze zouden zich een tijdje hier in de buurt kunnen verstoppen achter de rotsblokken. Op jullie schieten, zodra jullie boodschappen willen gaan doen als jullie eten op is. Hebben jullie daar aan gedacht?”
“Ik wel,” zei Golp.
“Ik niet,” fronste Geessie.
“Ik denk er nu aan,” zei Graf.
“Ik heb eten zat,” zei Golp. “Opgespaard. En ik heb een kanon gemaakt.”
“Wat krijgen wij nou?” schreeuwde Graf. “Waarom weet ik daar niks van?“
“En waar is dat eten, Golp?” wilde Geessie weten. “Ik lig soms te hongerlappen in bed! En jij hebt ergens eten zat.”
“Als ik jullie wat vertel, mislukt alles,” grauwde Glop. “Ik heb een plan gemaakt. Deze weg is van mij, de hele bergpas nu en iedereen die er langs wil, ho, die gaat betalen. Leuk of niet. Ik zet een pot neer bij de weg en ik zit te wachten bij mijn kanon tot ik iets hoor rinkelen in die pot. Mijn broers doen voortaan de boodschappen en ik zit thuis te slapen bij mijn kanon. Zo. Dat is de boodschap. En donder nou op, tovenaar. Ga het de burgemeester van Amerhurst maar vertellen. Jullie hebben lang gelachen om die drie lange slungels maar deze slungel lacht het laatst.”
“Waar is al dat eten nou, Golp!?” gromde Geessie. “Ik krijg zo’n trek van het idee alleen al. Ik kan niet wachten tot wanneer de veertig soldaten van de hertog komen. Eh, nou, ik weet het nog zo net niet.”
Ineens pakte Golp Hokon Pokon bij zijn kraag en duwde de tovenaar naar de deur. Hokon stribbelde wel tegen want hij zag al zijn slimme ideeën mislukken. “Wacht, wacht,” piepte hij. “Want ik weet al waar je eten is en waar je kanon. Je plan is goed. Ik heb het gesnapt. Maar de burgemeester zal het eerst willen zien en proberen. Dan moet je gaan schieten en dan vallen er dooien.”
“Wat gaan we nou krijgen?” bromde Graf. “Dat heb ik niet begrepen. Jij schiet de burgemeester plat, Golp? En dan denk jij dat ik rustig in het dorp kan gaan winkelen?”
Hij keek er heel ongerust bij. Ook Geessie stond er met open mond bij.
Hokon pakte zijn kans: “Als iedereen dat van tevoren snapt, hoeft er niet geschoten te worden! Ik ga het uitleggen. Ik heb hier goed rond gekeken en Golp heeft het prima voor elkaar. Hij gaat slapend rijk worden daar boven op de rots.”
“Ah, daar staat je kanon,” begreep Graf ineens. “En al je eten,” zei Geessie. “Ja, ja. Slim, Golp!”
“Dat dacht ik ook,” zei Golp. “En smeer hem nou, tovenaar. Ik merk wel aan het betalende bezoek of jij het goed hebt uitgelegd. Er uit!”
“Ja!” grijnsde Graf. “En steek dat standbeeld maar ergens in waar de zon niet schijnt!”
Van dat idee moest hij heel erg lachen, al begreep Geessie er weer niets van. “Als het donker wordt ’s avonds?”
Hokon liep peinzend naar zijn paard. ‘Plan A werkt niet, we moeten een Plan B bedenken,’ dacht hij maar hij wist voorlopig niks.

Bo en zijn boze vader hoorden in de herberg het verhaal van Hokon Pokon bezorgd aan. De rijkswachter en  de burgemeester waren er en nog wat nieuwsgierige drinkebroers.
“Als Golp boven op de rotsen achter zijn kanon zit, dan moeten de twee andere broers de boom weg tillen,” zei Bo bijdehand. “Als er zes soldaten in de koets zitten met geweren en touwen, dan kunnen die onverwacht Graf en Geessie arresteren en vastbinden. Dan schiet Golp zijn kanon niet af.”
“Dat weet je niet zeker,” aarzelde zijn vader. “Die Golp houdt niet echt van zijn broers.”
“Nee, nee, Golp heeft vast iets goed geregeld,” zei Bo. “Ze leggen die bomen verstandig gewoon weer netjes langs de weg, niet er op. En dan wachten ze natuurlijk in hun huis tot er betaald wordt. Dat is het veiligste. Niks arrestaties. Maar wat dan?”
De herbergier had het al door: “Hier geldt het recht van de sterkste. De reuzen zijn samen reuze sterk en alleen Golp is nog reuze slim ook. Dat wordt betalen. Geen schoolgeld voor de kinderen meer, geen nieuw dak op het stadhuis en ik arm omdat de helft van mijn klanten uit Brenk moet komen en voortaan thuis blijft. Het wordt oorlog hier en alles zal duurder worden. Ik ga arm als een kerkrat worden!”
De burgemeester zat binnensmonds te tieren en te schelden. ‘Als de dochter van de hertog dat zou horen, dan zou ze echt nooit met die vent willen trouwen,’ dacht Bo. Ineens herinnerde hij zich iets wat de tovenaar over Geessie had gezegd. Iets met een Witte Slierten Prijs! En dat er tien jaar geleden iemand verliefd op hem was geweest en dat hij had willen weten wie. Wie? Ja wie?

Hokon Pokon was waarschijnlijk de slimste van hen allemaal want hij had de moed nog niet opgegeven. “Die kerels moeten toch een keer boodschappen gaan doen. Dan kunnen we ze te pakken nemen!”
“Mij helpt dat niks,” mopperde Agebord. “Ik moet morgen er weer langs, terug naar Brenk!”
“Ik weet misschien iets om de reuzen uit hun huis te krijgen,” fluisterde Bo ineens. “Hun koffie is bijna op. We zetten een zak op de weg en als ze naar buiten komen om de zak te pakken, dan hebben we een kans!”
“Ja,” griepte zijn vader. “Dan schiet de rijkswachter hun kop er af.”
De burgemeester keek scheel van de slimheid. “Nee, wij gaan hun die koffie verkópen!” zei hij pissig. “Voor een gouden munt per pak. Zij duur, nou dan wij ook duur. Ze moeten eten en drinken toch?”
“Misschien gaat een van hun wel lopend naar Brenk met een grote tas om boodschappen te doen,” bedacht de rijkswachter. “Vooral die Golp is slim. Die heeft daar vast wel aan gedacht. Die reuzen lopen met zevenmijlslaarzen. Sneller dan een gewoon mens.”
De anderen keken sip.
“Wat dan?” vroeg de voerman klagend.
Bo had weer een idee. En een heel goed idee zelfs. ”Als ik Golp was,” zei hij. “Dat hield ik die bomen ’s nachts op de weg. Zodat ik toch lekker kon gaan slapen. Want als er soldaten met paarden kwamen, dan zou hij het meteen horen. En dan zou hij snel aan de achterkant van zijn huis naar boven willen kunnen klimmen naar zijn kanon. Toch?”
“En dan wat?” vroeg zijn vader. “Dan wat?”
Hokon Pokon was de eerste die het snapte: “Juist ja. Dan zou een heel stil en slim iemand dat paadje naar boven ’s nachts heel glibberig kunnen maken, zodat Golp gaat uitglijden. Dat bedoel je zeker Bo?”
De jongen lachte heel breed: “Zoiets, meneer de tovenaar.”
Dat was het beste plan dat ze konden bedenken. Plan B. En lukte het? Niet helemaal.

Hokon Pokon en Bo gingen het samen proberen met veertien kilo natte zeep. De burgemeester regelde tien paarden en tien sterke mannen, die een paar honderd meter voor het reuzenhuis, achter een bochtje stilletjes zouden wachten tot het inzepen was gelukt. Dan zouden ze samen de bomen wegtrekken. De rijkswachter was met zijn geweer op de loer gaan liggen in de buurt. Hij zou op het huis gaan schieten tot Golp tevoorschijn zou komen om naar zijn rotskanon te klimmen. Agebord stond verderop klaar met zijn koets om naar huis te kunnen rijden als Plan B had gewerkt. Maar ja, die Golp was heel groot maar niet gek. Zoiets als Plan B had hij zelf ook al bedacht en dus had hij een Plan C! Dus?

Wat hadden die tovenaar en zijn slimme hulpje fantastisch gewerkt. Eerst omhoog geklommen, en dan meter voor meter zakkend zeep gesmeerd, steen voor steen. En nog eens extra doodstil. Dat kon namelijk weer heel goed met een magische spreuk van Hokon Pokon. Halverwege het gevaarlijk smalle paadje passeerden ze een groot gat. De tovenaar dacht dat er daar een das in gewoond had omdat het erg raar rook. Ze smeerden er gewoon nog meer zeep omheen. En toen ging er iets fout. In de verte hoorden ze plotseling de burgemeester vreselijk schelden. Naderhand hoorden ze dat een van de paarden hem ondergeplast had. Vies ja. Smerig zelfs, ja. Maar moet je dan zo erg schelden op zo’n beest?
Hokon Pokon en Bo hoorden het, de rijkswachter hoorde het en Golp hoorde het ook. En toen hoorden de tovenaar en Bo de stem van Golp boven hun hoofd! Wat?! Van boven!? Ja, want Golp had immers zelf een Plan C.
Hij was ’s avonds gewoon meteen bovenop de rotsen naast zijn kanon gaan slapen. En hij schreeuwde meteen zijn broers beneden wakker. De burgemeester en de soldaten waren snel naderbij gekomen maar Golp schreeuwde van boven akelige waarschuwingen. Dat hij direct iedereen met zijn kanon aan flarden zou schieten, mensen en paarden. Het was volle maan en iedereen kon iedereen zien. Of horen dus. Hokon en Pokon waren meteen geschrokken en bibberend naar beneden gegleden tot precies op het dak van het reuzenhuis en de rijkswachter was hardlopend tot bij de deur geraakt, klaar met zijn geweer. Binnen zaten Graf en Geessie razend wakker te zitten. Ze hadden de nachtelijke bezoekers op het dak gehoord en de achterdeur open gezet. Allebei hadden ze een bijl gepakt. Niemand zou daar meer langs weg kunnen sluipen, stille tovenaar of niet. Niemand kon iets, niemand durfde ook iets.
Het duurde nog een flink koud uur voordat de zon op kwam. Toen riep ineens Bo vanaf het dak: “Wat heb ik toch zin in een kop koffie. Wat een geluk dat ik een grote zak met West-Indische melange heb meegenomen. Maar wat jammer dat ik hier geen heet water heb!”

Binnen in het reuzenhuis werd geschreeuwd en ruzie gemaakt. Van boven had Golp gevoeld dat zijn terugtocht naar beneden niet meer veilig was. Hij kon Bo en de tovenaar niet zien door alle struiken maar hij rook de zeep en schreeuwde erg lelijke dingen naar de zeepsmeerders. En de soldaten schreeuwden dat ze zin in vechten hadden en de rijkswachter schoot een kogel door de deur. Pang! Toen werd iedereen even stil. Het duurde wel lang, maar plotseling klonk de pieperige stem van Geessie: “Ik ga koffie zetten. En ik wil wel eens WestIndische melange proberen. Die wil ik wel van je kopen, jongentje!”
O jee, eerst ging iedereen door elkaar schreeuwen totdat de rijkswachter weer een kogel door de deur schoot. Pang! Weer werd het stil. Flop, flop, de twee reuzen hoorden de jongen van het dak klimmen. Hij liep door de achterdeur het reuzenhuis in en gilde meteen: “Niet schieten! Ik ben het!” Tegen de rijkswachter natuurlijk. Eerst wilde Graf die dappere Bo met de bijl te lijf maar Geesssie duwde hem ruw maar heel krachtig naar buiten: “Weg jij, grafkop!”

Die dunne reus bleek toen echt de slimste van iedereen. “Stoppen. ?Bekken dicht! En Luisteren naar mijn!” schreeuwde hij. “Wij gaan koffie zetten. Voor iedereen. Mijn broer en ikke gaan hier een koffiehuis van maken voor elke reiziger die hier langs komt. En mijn broer Graf is een kanjer met soep en broodjes. Maar mijn broer Golp slaat iedereen die niet daarvoor wil betalen terug het pad af. Nou? Ja of nee?”
Hokon Pokon begon zo hard te klappen dat zijn handen nog tien dagen pijn zouden doen. En de soldaten schreeuwden dat ze ook nu koffie willen na die barre doorwaakte nacht. De rijkswachter klapte ook en tja, toen moest iedereen wachten op Golp. Op wat die er van vond.
“Ik laat mijn kanon hier staan en ik heb eten voor drie weken,” brulde hij. “Ik blijf hier zolang slapen om te kijken of iedereen doet wat-ie belooft!”
“Smerige schofterige ellendeling, ik ga akkoord!” schold de burgemeester. En zo ging het.

Na drie weken was iedereen aan de nieuwe situatie gewend. Slapend rijk werd niemand maar toen de burgemeester eindelijk was uitgescholden, wilde de vrij lelijke dochter van de hertog toch wel met hem trouwen. De hertog kreeg in ruil ook zijn standbeeld. Het werd superdruk overal, er werd veel gereisd van Brenk naar Amerhurst en terug en de reuzen verkochten massa’s koffie, broodjes en soep. Ze namen een mevrouw in dienst voor de afwas en de was en de rest, want zonder een vrouw werd die coffeeshop niks. Als Bo mee reisde met zijn vader dan was voor hem alles gratis boven op de berg. Verdiend zou je toch zeggen, Of niet soms?