Loading...
You are here:  Home  >  New Age journalistiek  >  Therapie  >  Current Article

Afscheid nemen van overleden ouders

By   /   januari 8, 2013  /   No Comments

Peter 9 jaar copy

Lang dode ouders vergeven is een lastig fenomeen. Toch is dat de weg voordat je echt afscheid kunt nemen.

Op 21 juni 1987, zevenentwintig jaar na mijn vader, stierf mijn moeder, maar aan dezelfde ziekte: alvleesklierkanker  Ineens komt me weer het moment van dat laatste afscheid voor de geest. In de rouwkapel keek ik naar haar stil geworden gezicht in de met bloemen versierde kist en plotseling barstte ik in kortdurend snikken uit. Totaal onverwacht was me een intens medelijden met haar overvallen. Ik dacht te beseffen dat zij in het leven zo smartelijk tekort gekomen was. Het was verder een makkelijk afscheid want ik hield mijn emoties krampachtig zo oppervlakkig mogelijk. Dat het mijn eigen pijn van tekortkomen was, durfde ik toen aan mijzelf nog niet toe te geven.

Haar dokter had het haar een paar maanden tevoren rechtstreeks verteld: “Mevrouw, wij kunnen niets meer voor u doen.” Daarna moest ze in haar eentje weer naar huis. Die klinische melding verdient geen schoonheidsprijs  maar zij kon in elk geval van haar omgeving afscheid gaan nemen.  Dat was met mijn vader anders. De medische stand vond in 1959 dat men de patiënt zelf niet moest informeren over zijn onvermijdelijke einde. Mijn vader werd door die kortzichtigheid de mogelijkheid ontnomen om afscheid te nemen van iedereen die hij liefhad. Dat heeft enorme psychische schade aangericht. Bij de kinderen maar ook bij mijn moeder. Vlak voor haar dood vertelde ze me hoe weinig werkelijke zinvolheid zij in haar leven had ervaren. Het verraste me niet helemaal. We hebben lange discussies gehad over spiritualiteit, vooral naar aanleiding van mijn acht jaar durende lidmaatschap van de sannyasbewe­ging van Bhagwan ‘Osho’ Rajneesh. Ze vond het maar niks, dat wazige Zenboeddhisme dat ik aanhing. Ze had ook niet veel op met het Christendom  met niets eigenlijk  Er kwam bij haar geen ander geestelijk anker in de plaats voor datgene wat ze ooit verloren was na de dood van mijn vader.

Ik herinner me mijn dertiende verjaardag, 5 juli 1959. Een verschrikking  Het hele huis, alles was in de rouw dat eerste jaar, getekend door die 15e juni. Zelfs vijf jaar later, mamma was inmiddels verhuisd, was er nog weinig echt geheeld. Ik herinner me een heerlijke zomerse avond, waar ze helaas niet van kon genieten. Ze stond voor het open raam van die flat, tien hoog, uitkijkend over de Utrechtse weilanden van Overvecht. En ineens grauwde ze naar het invallende donker: “God! Godverdomme  Waarom heb je hèm weg gehaald  Waarom heb je mij niet genomen? Een ingoede man en die moest dood? Godverdomme  godverdomme nog aan toe. Verrek jij maar daarboven.”

Toen was er op de een of andere manier nog een persoonlijke, aan­spreekbare God voor haar, ergens ver weg. Maar haar oorspronkelijke, optimistische geloof ontviel haar in die dagen en het is nooit teruggekomen.

Op dat moment voelde ik haar schrijnende onmacht diep in mijn hele wezen en er ontstond een noodlottig verlangen om haar voor eens en altijd te kunnen troosten. Dat is me nooit gelukt. Ze wou ook niet, dacht ik wel eens. Was ze op de een of andere manier gehecht aan die emoties?

“Ik heb naar jullie zo veel fout gedaan,” zei ze tegen me in haar laatste dagen tegen me. Nu weet ik wel waar ze het eigenlijk over had willen hebben. Dat vreselijke pak slaag met die gordijnrail misschien of het stiekeme verraad van mijn Lagere School liefje, maar nog waarschijnlijker de emotionele verwaarlozing van mijn jongensrouwproces. Toen echter bagatelliseerde ik de boel, ik troostte, wees er op dat we alle drie toch aardig terecht gekomen waren. Ik had net weer een behoorlijke baan als copywriter bij een reclamebureau  ik liep zelfs om haar een plezier te doen nadrukkelijk in een net pak. Als ik eraan terugdenk, voel ik me raar onwezenlijk  Want nu, tien jaar later, weet ik dat ik gewoon had moeten zeggen: “Okay, mam. Biecht het maar eens allemaal op. Spreek het maar eens uit. Misschien kan ik je dan eindelijk vergeven.”

Want dat heb ik namelijk niet gedaan. Ik heb zelfs juist gedaan wat ik háár verweet: de diepgang vermijden, het gesprek oppervlakkig houden. Haar rampgevoel niet serieus nemen noch haar doodsangst en haar angst voor een negatief oordeel van een eventueel Daar Boven verschijnende Goddelijke Scheidsrechter. Was die oppervlakkigheid een vorm van wraak nemen? Het kan.

Een deel van mij, mijn innerlijke kind, is namelijk razend op al die volwassenen die betrokken waren bij het sterfbed van mijn vader. Hij was belangrijk. Het lot van mijn moeder was belangrijk. Maar niemand scheen zich af te vragen wat wij, de kinderen, voelden en meemaak­ten in die afschuwelijke jaren van operaties, ziekenhuisbezoek, ziekbed thuis. En hoe dat was met mij, die al een jaar daarvoor een nachtelijk telefoongesprek afluisterde tussen oom Ed en mama, waarin ze gesmoord snikkend piepte dat zijn broer niet meer lang te leven had. We werden niet religieus of kerkelijk opgevoed maar ik ben gaan bidden in die tijd. “Heer, laat mijn vader toch leven. Ik doe alles wat u wilt, maar laat hem leven.” Iedere avond voor het slapen gaan. Acht maanden lang. Tot die dag, ergens in april, toen ik ben opgehouden met bidden, omdat ik vond dat pappa mijn toewijding verspeeld had.

Dat ging zo. Ik was twaalf jaar en verzamelde postzegels. Op een parterre van de Galeries Modernes aan de Utrechtse Lange Viestraat lagen in grote bakken de verzamelpak­ken. Duizend postzegels uit de hele wereld, voor tien gulden of zoiets. Ik bekeek ze altijd begerig en ontdekte op en middag plots een gescheurd pak. Ai, welk een verleiding. Onop­vallend hebzuchtig peuterde ik er een paar uit los en verborg ze in mijn mouw. En dan wèg! Vluchten. Er gebeurde niets, geen geschreeuw, geen ‘Houd de dief!’ En na tien minuten observatie van die magnetische plek ging ik terug. Ik moest meer! Nog meer. Ik ritselde nog twintig van die kleurige verleidin­kjes mijn mouw in. En opnieuw ging ik er met snelle stappen vandoor. Toen heb ik kennis gemaakt met de macht van een verslaving  Ik ging nog een derde keer terug. Helaas was mijn gedrag eindelijk iemand gaan opvallen. Bij de roltrap greep een veiligheidsman me in de kraag. Ik werd naar een kelder gebracht en zorgvuldig gefouilleerd  Vierenveertig gebruikte postzegels, dat was mijn buit. Ik werd vergast op een boetepreek. Mij stond doem, galg en rad te wachten. De man eiste dat ik het hele aangebroken pak zou kopen maar ik had geen tien gulden. Daarop belde hij naar huis. Mijn moeder moest mij komen loskopen anders ging ik linea recta naar het politiebureau. Mama kwam. Betaalde. Liep zwijgend met me naar buiten waar mijn fiets stond. “Rotjong,” zei ze. “Denk jij nou echt dat ik niet wat beters te doen met je vader zo doodziek thuis?”

Ik durfde van schaamte niets terug te zeggen. Zwijgend fietsten we naar huis. Maar het ergste moest nog komen. Na een uur schreeuwde mijn vaders geprikkelde stem naar beneden: “Peet! Hier komen!”

Hij lag in dat lage bruin eiken tweepersoonsbed, in die gestreepte ouwe blauwe pyjama. Een beetje omhoog in de kussens, altijd ongemakkelijk van zijn doorlig­plekken. Razend was hij: “Mijn zoon een dief? Jij steelt?! Als ik uit mijn klote nest kon komen, dan brak ik allebei je poten! Dat flik jij me nooit meer, begrepen?! Uit mijn ogen, labbekak!”

Tja, zo ging dat in 1959. Zo werd je opgevoed. En dan waren die twee ouders van mij nog heel progressieve mensen. Dat die vader in zijn al twee jaar durend ziekbed niet veel tijd voor me had gehad, realiseerde zich niemand. Dat dit wel het laatste soort gesprek was, wat ik als eenzaam gozertje nodig had van hem, dat realiseerde ik me niet eens zelf. Ik zat in klas 1D op het Thorbecke Lyceum. Het was geen prettig clubje kinderen en ik voelde me er behoorlijk geïsoleerd. Iemand thuis lastig vallen met mijn problemen, dat durfde ik niet. Mijn vader had immers een veel ernstiger probleem? Die was aan het doodgaan en mijn moeder wist het. Ik hield over alles mijn mond. Maar die scheldpartij kon ik er net niet bij hebben. Al mijn eenzaamheid vergalde tot woede en wraak­zucht. En ik had een wapen: ik hield op met bidden. Dat was ergens in april. En dat was feitelijk het laatste gesprek met mijn vader. Een ander afscheid zat er nooit meer in. Op die 15e juni, ’s morgens om zes uur, kwam mama naar bene­den. Ze haalde ons uit bed en in Freddy’s kamer vertelde ze het nieuws: “Jullie vader is een half uur geleden gestorven.”

Fred was tien, hij zou pas in augustus elf worden, Yolande was net vier dagen daarvoor negen geworden. Mama huilde en van pure schrik huilden die twee mee. Ik bleef in shock zitten, verstijfd.

“Moet jij niet huilen?” vroeg mama nog. Ik kon niet eens nee schudden. Er was een mijn ontploft en de scherven zaten in heel mijn wezen. Het was inderdaad gebeurd! Ik was gestopt met bidden en hij was doodge­gaan, zoals ik gewild had.

Drie jaar later beschuldigde mijn moeder me er nog eens van dat ik een hart van steen had: “Jij hebt niet eens gehuild toen je vader gestorven was!” Toen brak mijn verdediging, eindelijk. Ik begon ’s middags om vier uur te huilen en ’s nachts om drie uur huilde ik nog. “Laat je broer maar een beetje met rust,” zei mama nog tegen de verwonderde Fred en Yolande. Maar ze kwam er niet meer op terug…

Na papa’s overlijden bleef ik afgesloten. Ik wilde niet mee naar de begrafenis. Daar heeft ook nooit meer iemand een nadere vraag over gesteld. De hele familie was immers gericht op mijn mòeders leed en op de benarde financiële situatie waar ze in verkeerde. De kinderen moesten maar ‘afgeleid’ worden. Even bij mijn grootouders, bij oom of tante, iets leuks op school, misschien eens naar de film. Ach, ach. Tja, zo ging dat in 1959. Kinde­ren werden niet serieus genomen. Gevoelens, ach die zouden wel weer overgaan. Kinde­ren in de rouw? Afscheid nemen van een dode? Een kindertrau­ma? Dat woord bestond toen niet eens.

In de zomer van 1987 gooide ik ineens mijn hele leven om. Mijn ‘mala’, de kralenket­ting van mijn goeroe Bhagwan Rajneesh verbrandde ik in mijn open haard en ik hield op om te proberen om een keurige, altijd aanwezige vader voor mijn zoontje te zijn ten koste van diepe relatiepijn met zijn moeder. Ik ben weer alleen gaan wonen en heb mijn eigen therapeutische praktijk opgezet. Ik wou me niet meer conformeren aan wie dan ook. Ik hoefde me niet meer uit te sloven om de goedkeuring van mijn moeder en ‘en passant’ hoefde ik ook de goedkeuring van mijn surrogaat­vader Bhagwan niet meer. Maar heb ik echt afscheid genomen van mijn ouders? Hele­maal niet.

Jarenlang heb ik geprobeerd om allerlei ongelukkige vrouwen die op mijn moeder leken te troosten. Jarenlang heb ik geprobeerd om uit verbindin­gen te blijven waaruit iemand mij zou kunnen verlaten zonder afscheid, zonder goede reden. Zoals mijn vader mij verlaten heeft. Zonder uitleg, ik ben nooit gerustgesteld. Hij heeft me nooit kunnen zeggen dat zijn vroege dood niets met mij te maken had maar alles met zijn kampverle­den in de oorlog. Ik heb mijzelf moeten verlossen van mijn schuldgevoel.

Het leven is genadig en rechtvaardig. Je krijgt steeds weer kansen om je ziel schoon te wassen en te helen. Daar heb je meestal wel een ander voor nodig. Soms een therapeut, meestal een relatie. In latere jaren werd ik nog eens waanzinnig, redeloos en radeloos verliefd op iemand. Ze maakte het in drie jaar negen keer met me uit. Verliet me, verliet me nog eens. Ik heb tranen met tuiten gehuild, elke keer weer. En samen huilden we nog harder als we het weer aan maakten. Door haar ben ik eindelijk weer met dat kinderverdriet in contact gekomen en met dat gevoel van in de steek gelaten zijn. De relatie heeft het niet gered.

Op mijn beurt heb ik mijn eigen zoon, mijn oudste, keer op keer in de steek gelaten. Door mijn lange reizen naar India, door mijn lange verblijf in Brazilië. Toen ik al die herhalingen eindelijk een beetje begon te snappen, durfde ik niet langer dan twee weken op vakantie uit zijn buurt te zijn. Ik bleef me echter altijd ongerust maken dat ik onvoldoende aandacht voor zijn gevoe­lens had, onvoldoende tijd, onvoldoende begrip… Op het macroniveau snap ik al die karmische opdrachten wel maar in het platte aardse vlak is het een hele klus om afscheid van je eigen kinderpijn te nemen. Net zo goed als het lastig is om van een ander mens zuiver afscheid te kunnen nemen. Zonder restjes achter te laten, hooguit een gevoel van dankbaar­heid dat je elkaar gekend hebt.

Tja, dag pappa. Dag mam. Waar jullie ook zijn, zwervende zielen, wel of niet geïncarneerd, om mij heen of ver weg, ik ben dankbaar dat jullie mij dit leven gegeven hebben. Ik ervaar het als een wonderlijk mystieke reis door een caleidoscoop van gevoelens, sensaties en wijsheden. Afscheid nemen is ondertussen één van de moeilijkste dingen die er bestaan.

PdH

 

    Print       Email

You might also like...

Twee keer in tien jaar mijn tieten onder het mes

Read More →