Loading...
You are here:  Home  >  New Age journalistiek  >  Alternatieve gezondheid  >  Current Article

De huishasjdealer versus de coffeeshops

By   /   januari 3, 2013  /   No Comments

Wietplant
 
Veertig jaar stompzinnig drugsbeleid heeft weinig politiek inzicht opgeleverd. Pogingen tot visionaire oplossingen zijn er wel geweest.

Van 1974-1978, ruim viereneenhalf jaar, was ik directeur van het Haagse jongerencentrum Het Paard van Troje. In dit centrum werd in 1974 door staf en bestuur een huishasjiesjdealer, een HHD, aangesteld en gemonopoliseerd. De huisdealer zorgde voor goede kwaliteit hasj voor een redelijke prijs met de bedoeling om commerciële (hard en softdrugs)dealers weg te concurreren.

Bij de oprichting in 1972 ondersteunden diverse maatschappelijke groeperingen Het Paard, zoals het meestal kortweg genoemd werd. Dat waren belanghebbenden uit de politiek, uit het jongerenwelzijnswerk en diverse subculturele nieuwe stromingen. Ik noem onder meer, de PvdA, de Haagse Kabouterpartij, Jeugd- en Jongerencentrum Ruimte, het SuperSister-theater, de Experimentele Maatschappij en de Sosjale Joenit. Er was behoefte aan een groot ontmoetingscentrum in die tijd waar allerlei soorten jongeren terecht konden. Een soort smeltkroes van groepen alternatieve jongeren met verschillende etnische achtergronden, waarvan ongeveer 50% blowde. In het gebouw was de handel en het gebruik van softdrugs oogluikend toegestaan, het gebruik noch de verkoop van harddrugs niet. Van politieoptredens is vrijwel geen sprake geweest in dit centrum. De narcoticabrigade kwam wel regelmatig op bezoek, maar oriënteerde zich voornamelijk op het aanpakken van dealers. Er is nooit iemand aangehouden voor het enkele gebruik van drugs. De wijziging van de Opiumwet, net in die tijd, bracht geen verandering in deze situatie.

De medewerkers van het Paard van Troje vonden indertijd de scheiding tussen soft- en harddrugs belangrijk om de introductie van hard drugs bij soft drugsgebruikers tegen te kunnen gaan. Bovendien wilde men met dit HHD-experiment een preventieve en voorlichtende rol gaan spelen. Op ieder verkocht zakje wiet zou namelijk een sticker met een gebruiksaanwijzing moeten komen. Daarop zou informatie moeten staan over de lichamelijke (longvervuilende) en psychologische (auravervuilende) risico’s van het gebruik, over de minimale en maximale dosis en over een eventuele psychische gevoeligheid voor de drug. Blowen via een waterpijp i.p.v. in een joint werd bijvoorbeeld sterk aangeraden. Zo zou het softdruggebruik veel veiliger kunnen verlopen. Nadat ik twee malen gearresteerd werd en met veel publiciteit berecht voor het opzetten van dit experiment, haalde de overheid bakzeil met een wijziging van de Opiumwet. Vanaf 1978 werd bezit voor eigen gebruik toegestaan en werd een HHD in een jongerencentrum getolereerd. Daarbij zag de toenmalige Minister De Ruiter echter af van de essentiële inbreng van het Paard van Troje, namelijk die van de verplichte gebruiksaanwijzing. Men was bang dat het buitenland de indruk zou krijgen dat Nederland onder bepaalde voorwaarden het gebruik NIET schadelijk zou vinden. Juist door die subtiele ‘vergissing’ werd het toen voor commerciële soft drugshandelaars mogelijk om coffeeshops op te richten. Zij gingen zichzelf ook jongerencentrum noemen met een HHD in dienst. Deze instellingen hadden uiteraard niet de neiging de schadelijke gevolgen van drugsgebruik toe te lichten. Zij wilden gewoon veel verkopen, terwijl het bij sociaal-culturele (gesubsidieerde) instellingen als het Paard van Troje daar niet om ging. Praten over longvervuiling door de vette plantenolie in soft drugs of over gevaren van overschaduwing of psychoses deden de coffeeshopeigenaren uiteraard nooit, omdat ze alleen op maximale winst gericht waren.

De oorspronkelijke Nederlandse Opiumwet was zeer sterk beïnvloed door het Amerikaanse model van de War on Drugs en het daaraan gekoppelde Enkelvoudige Verdrag van New York, wat weinig ruimte voor anders denken liet. De Amerikaanse spijkerharde oplossing (Zero Tolerance) van het simpelweg in de gevangenis stoppen van elke creatieve, speelse jongere, die maar even met  drugs wou experimenteren, heeft behalve veel individueel leed ook een culturele demper opgeleverd, die nog steeds als Big Brother Is Watching You wordt ervaren. De Nederlandse aanpassing van onze Opiumwet heeft wel ruimte gemaakt voor efficiëntere en meer genuanceerde bestrijding van de hard drugshandel, maar heeft als neveneffect ook de wildgroei van de coffeeshops veroorzaakt. Ik geef nog steeds lezingen over het gevaar van drugs, want die zijn er niet minder op geworden in de loop van 40 jaar rampzalig drugbeleid.”

PdH

    Print       Email

You might also like...

Over de invloed van spirituele en maatschappelijke verhoudingen op de tere kinderziel

Read More →